ECLI:NL:CRVB:2014:3866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde bij besluit van 20 februari 2012 vast dat zij niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet WIA, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De rechtbank vond dat het UWV de belastbaarheid van appellante op goede gronden had vastgesteld, mede door de selectie van drie passende functies.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde dat zij vanwege schouder- en armklachten en een in december 2012 vastgestelde hernia niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Raad overwoog dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de medische situatie per 27 februari 2012 leidend was. De vermeende hernia na die datum kon daarom niet tot een ander oordeel leiden. Ook de klachten van fibromyalgie waren meegenomen in de beoordeling.
De Raad bevestigde dat de arbeidskundige beoordeling juist was en dat appellante haar stelling niet met concrete gegevens had onderbouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.