ECLI:NL:CRVB:2014:3931

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2014
Publicatiedatum
26 november 2014
Zaaknummer
14-305 BBZ-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:88 lid 1 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek herziening wegens termijnoverschrijding afgewezen

Appellante had een verzoek om herziening ingediend dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat zij het griffierecht niet tijdig had betaald. Vervolgens deed zij verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Raad beoordeelde of het verzet ontvankelijk was, waarbij werd vastgesteld dat het verzetschrift te laat was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van zes weken.

Appellante gaf aan dat zij door haar hartklachten en de afstand tot het postagentschap het verzetschrift later had kunnen indienen, mede doordat zij niet wist dat het om een stuk van de Raad ging. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden vormen voor de termijnoverschrijding. Het is de verantwoordelijkheid van appellante om ervoor te zorgen dat poststukken tijdig worden ontvangen en om zich te informeren over termijnen.

Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. De Raad ging niet in op de inhoudelijke argumenten over de betaling van het griffierecht. Appellante staat vrij een nieuw verzoek om herziening in te dienen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van verzet.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 november 2014
14/305 BBZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012, 10/4118 BBZ (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (oud) en artikel 21 van Pro de Beroepswet (oud) van 8 juli 2014 heeft de Raad het door appellante gedane verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan en op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van 11 november 2014. Appellante is verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 8 juli 2014 berust op de grond dat appellante het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het verzet ontvankelijk is.
Het door appellante ingediende verzetschrift is gedateerd 21 augustus 2014 en is op
25 augustus 2014 door de Raad ontvangen. De termijn van zes weken voor het indienen van een verzetschrift is dus overschreden.
Bij brief van 4 september 2014 heeft de Raad bij appellante geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellante heeft bij brief van 16 september 2014 te kennen gegeven dat het postagentschap waar zij het aangetekend verzonden poststuk moest afhalen op
25 minuten loopafstand ligt. Wegens beperkingen die appellante als hartpatiënt ervaart, heeft zij gunstige weersomstandigheden moeten afwachten om het poststuk op te halen. Ter zitting heeft appellante hieraan toegevoegd dat haar niet duidelijk was dat het om een stuk afkomstig van de Raad ging. Zij heeft ten onrechte gemeend dat de termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan aan zou vangen op de datum waarop de uitspraak haar had bereikt.
De door appellante genoemde omstandigheden zijn geen omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het is haar verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat poststukken haar tijdig bereiken, eventueel door het inschakelen van een derde, en het lag op haar weg om zich te informeren omtrent de aanvang van de termijn. Het verzet moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad komt gelet op het voorgaande niet toe aan wat appellante heeft aangevoerd over de betaling van het griffierecht en haar verzoek om de zaak na betaling van het griffierecht alsnog in behandeling te nemen. Het staat appellante vrij opnieuw een verzoek om herziening in te dienen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2014.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C.M. Fleuren

HD