ECLI:NL:CRVB:2014:4016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 16 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank had het beroep van appellante eerder ongegrond verklaard.
De Raad toetste de aangevallen uitspraak en stelde vast dat de medische rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig waren opgesteld, consistent en concludent. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapporten onzorgvuldig waren, inconsistenties bevatten of onjuist waren. Ook de klacht dat zij niet grondig was onderzocht, werd verworpen omdat lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden waarbij haar klachten waren onderkend maar niet geobjectiveerd.
De Raad oordeelde verder dat de beperkingen die appellante aanvoerde onvoldoende medisch waren onderbouwd, waaronder de vermeende urenbeperking en de invloed van morfinepleisters. De arbeidskundige rapportage ondersteunde het oordeel dat de belastbaarheid van de functies binnen de Functionele Mogelijkhedenlijst paste. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.