Uitspraak
mr. B. Hopman.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, rolstoelgebonden en aangewezen op individueel vervoer, vroeg om vervanging van haar aangepaste auto door een bruikleenauto. Het college wees dit af omdat zij met de individuele vervoerskostenvergoeding voldoende in haar vervoersbehoefte wordt voorzien. De rechtbank bevestigde dit besluit, stellende dat de vergoeding adequaat en goedkoper is dan een bruikleenauto.
Appellante voerde aan dat zij met de vergoeding niet haar familie buiten de regio kon bezoeken, wat noodzakelijk zou zijn om vereenzaming te voorkomen, en dat rugklachten en weigering van taxichauffeurs haar belemmeren. De Raad oordeelde dat deze argumenten onvoldoende nieuw of onderbouwd waren en dat de compensatieplicht zich beperkt tot de regionale woonomgeving.
De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule of het gelijkheidsbeginsel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een bruikleenauto wordt afgewezen omdat appellante voldoende gecompenseerd wordt met een individuele vervoerskostenvergoeding.