ECLI:NL:CRVB:2014:4076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 19 november 2010. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij medisch en arbeidskundig meer beperkt was dan door het UWV en de rechtbank was vastgesteld. Zij bracht nieuwe medische informatie in, waaronder een cardiochirurgisch rapport over klachten aan het borstbeen uit 2010 en een ziekenhuisopname in 2013.
De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts de fysieke en psychische beperkingen van appellante deugdelijk had gemotiveerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat was aangepast aan haar schouderklachten. De nieuwe medische informatie bood geen aanleiding om het oordeel over haar beperkingen te wijzigen.
Ook de arbeidsdeskundige had met juistheid vastgesteld dat de geselecteerde functies passend waren binnen de beperkingen van appellante. De Raad zag geen reden om aan dit standpunt te twijfelen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de weigering van de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van appellante af.