ECLI:NL:CRVB:2014:4353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken wederzijdse zorg bij gezamenlijke huishouding
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande, waarbij hij aangaf samen te wonen met een medebewoner en samen een huurovereenkomst te hebben. Het college wees de aanvraag af omdat werd aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, terwijl onvoldoende gegevens beschikbaar waren om het recht op bijstand te beoordelen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel appellant en de medebewoner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, niet was voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Er was geen sprake van financiële verstrengeling die verder ging dan het delen van woonlasten en ook andere concrete vormen van wederzijdse zorg ontbraken. Het college had ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar deze feiten.
Daarnaast rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid op appellant. Hij heeft onvoldoende informatie over zijn eigen financiële situatie verstrekt, ondanks verzoeken van het college. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank had dit niet onderkend, maar de Raad bevestigde de afwijzing van de aanvraag omdat het oordeel van de rechtbank terecht was dat de aanvraag terecht was afgewezen.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad over de toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg en appellant onvoldoende financiële gegevens verstrekte.