ECLI:NL:CRVB:2014:4365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud 2011-2011
Appellant ontving tot 1 januari 2011 bijstand en vroeg op 13 oktober 2011 opnieuw bijstand aan. Het college weigerde de aanvraag omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in de periode vanaf 1 januari 2011 tot de aanvraagdatum in zijn levensonderhoud had voorzien.
Appellant verklaarde aanvankelijk te hebben geleefd van kinderbijslag en leningen, maar de verstrekte bewijsstukken waren inconsistent en onvoldoende concreet. Zo week het bedrag van de lening die appellant stelde te hebben ontvangen af in diverse verklaringen en ontbrak een duidelijke terugbetalingsverplichting. Ook waren er tegenstrijdige verklaringen over de herkomst van stortingen op zijn bankrekening.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast en inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De beroepsgronden van appellant, waaronder onduidelijkheid over te overleggen gegevens en het ontbreken van ander bewijs, werden verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van levensonderhoud.