ECLI:NL:CRVB:2014:4440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig ijzervlechter, staakte zijn werkzaamheden in november 2010 vanwege schouder-, rug-, psychische klachten en enkelproblemen. Het UWV stelde op 29 oktober 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees zijn WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij door fysieke klachten en slaapstoornissen (osas) meer beperkt was dan vastgesteld en dat zijn arbeidsmarktkansen slecht waren, wat een hogere inschatting van arbeidsongeschiktheid zou rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen, die ook informatie van behandelend artsen hadden betrokken. De overgelegde medische stukken bevatten geen nieuwe informatie die tot een hogere mate van beperkingen op de peildatum leidden. De fysieke klachten, waaronder enkelproblemen en osas, waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad wees erop dat arbeidsmarktaspecten niet meewegen bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 6 lid 2 Wet Pro WIA.
Op grond van deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.