ECLI:NL:CRVB:2014:4442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1999
Appellant heeft in 1998 knieklachten gemeld en verzocht in 2011 om een WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant op 13 augustus 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische rapporten betrouwbaar zijn en dat het risico van een late aanvraag voor appellant komt.
In hoger beroep stelde appellant dat de late aanvraag niet zijn schuld was en dat ook psychische klachten per datum einde wachttijd meebeoordeeld moesten worden. Tevens betwistte hij de gebruikte beoordelingsmethode en stelde dat een toename van klachten na 1999 een voortzetting betrof van reeds bestaande klachten.
De Raad oordeelde dat het UWV over voldoende medische informatie beschikte om de knieklachten per 1999 vast te stellen en dat er geen aanwijzingen waren voor psychische problematiek op dat moment. De gebruikte beoordelingsmethode was conform de destijds geldende wet- en regelgeving. Er was geen bewijs voor een toename van klachten binnen vijf jaar na 1999.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1999.