ECLI:NL:CRVB:2014:709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving sinds 2000 bijstand als alleenstaande ouder. Het college stelde op basis van een onderzoek van de sociale recherche dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kind, betrokkene, en trok daarom de bijstand in vanaf 2005 met terugvordering van de kosten.
De rechtbank had het besluit deels vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. In hoger beroep betwist appellante dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat betrokkene zijn hoofdverblijf in haar woning had.
De Raad beoordeelde het bewijs, waaronder waarnemingen, huiszoeking, poststukken en verklaringen van buurtbewoners, en concludeerde dat deze onvoldoende waren om de conclusie van het college te dragen. Er was geen feitelijke basis voor het aannemen van samenwoning.
Daarom was het college niet bevoegd tot intrekking en terugvordering van de bijstand. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het daarop gebaseerde terugvorderingsbesluit, en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.