ECLI:NL:CRVB:2014:774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2014
Publicatiedatum
7 maart 2014
Zaaknummer
13-637 BESLU
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure

Verzoekster heeft een procedure gevoerd tegen de Sociale verzekeringsbank (Svb) en de Staat der Nederlanden wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De procedure betrof de vaststelling van verzekeringsperiodes voor de Algemene Ouderdomswet. De totale procedure duurde ruim vier jaar en zeven maanden, waarbij de behandeling door de Svb, rechtbank en de Raad afzonderlijk aanzienlijke tijd in beslag nam.

De Raad stelde vast dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren, met specifieke termijnen voor de verschillende fasen. De overschrijding werd erkend door partijen, waarbij de Raad oordeelde dat de periode vóór het bezwaarschrift niet meetelt. De totale overschrijding werd vastgesteld op ruim zeven maanden.

De Raad bepaalde een schadevergoeding van €1.000,- passend, waarvan €750,- ten laste van de Staat en €250,- ten laste van de Svb. Verzoekster werd geen vergoeding toegekend voor overige immateriële schade wegens gebrek aan onderbouwing. Tevens werden proceskosten toegekend aan verzoekster, verdeeld over Staat en Svb. De uitspraak werd gedaan door rechter T.L. de Vries op 7 maart 2014.

Uitkomst: Verzoekster krijgt een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld over Staat en Svb.

Uitspraak

13/637 BESLU, 13/638 BESLU
Datum uitspraak: 7 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden, minister van Veiligheid en Justitie (Staat)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de Svb, de rechtbank en de Raad.
De Svb heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Namens de Minister van Veiligheid en Justitie heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de Rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Verzoekster heeft een reactie ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014. Verzoekster is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens. De Staat heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.
In zijn uitspraak van 15 februari 2013, gerectificeerd bij zijn uitspraak van 3 mei 2013, heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 mei 2010, 06/932. Het hoger beroep had betrekking op de vaststelling van de periodes waarin verzoekster verzekerd is voor de Algemene Ouderdomswet.
2.
In de uitspraak van 15 februari 2013 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van verzoekster op 4 juli 2008 tot de datum van de uitspraak van 15 februari 2013 vier jaar en ruim zeven maanden zijn verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb ruim zeven maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op
24 maart 2009 tot de uitspraak op 31 mei 2010 één jaar en ruim twee maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 16 juli 2010 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en bijna zeven maanden geduurd.
3.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.
Verzoekster heeft gesteld dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als de rechterlijke fase is overschreden. Zij heeft benadrukt dat de overschrijding van de behandelingsduur haar daadwerkelijk spanning en frustratie heeft opgeleverd.
5.
De Svb heeft op de zitting van de Raad het standpunt verlaten dat in dit geval voor de bezwaarfase een langere behandelingsduur dan een half jaar gerechtvaardigd is.
6.
Namens de Staat is het standpunt ingenomen dat er aanleiding bestaat aan verzoekster een vergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn door de Raad.
7.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke en de rechterlijke fase. In de rechterlijke fase is de redelijke termijn overschreden door de Raad.
8.
Verzoekster heeft gesteld dat ook de periode in 2008 vóór indiening van het bezwaarschrift moet worden meegeteld bij vaststelling van de duur van de overschrijding. De Raad verwerpt deze stelling. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten (CRvB 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.
9.
Naar het oordeel van de Raad dient - in overeenstemming met de vaststelling in de uitspraak van 15 februari 2013 - de totale overschrijding van de redelijke termijn te worden vastgesteld op ruim zeven maanden. Het tijdsverloop in de totale procedure bedraagt immers vier jaar en ruim zeven maanden.
10.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De Raad stelt de schadevergoeding vast op het bedrag van
€ 1.000,-.
11.
De Staat heeft zich bereid verklaard aan verzoekster een bedrag van € 500,- te vergoeden. Gelet op het aandeel van ruim één maand van de Svb in de totale overschrijving van de redelijke termijn met ruim zeven maanden, ziet de Raad aanleiding te bepalen dat van de totale vergoeding € 750,- ten laste komt van de Staat en € 250,- ten laste van de Svb.
12.
Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet de Raad in het kader van deze procedure over de vaststelling van schadevergoeding
- anders dan verzoekster - geen aanleiding.
13.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Svb dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster van € 250,- en de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster van € 750,-.
14.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van andere dan de hiervoor bedoelde immateriële schade. Er is geen aanleiding de Svb of de Staat te veroordelen tot vergoeding van deze beweerdelijk geleden schade, omdat niet is duidelijk gemaakt waaruit deze schade bestaat en deze niet is onderbouwd.
15.
Aanleiding bestaat om de Svb en de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 49,80 ten laste van de Staat en € 16,60 ten laste van de Svb terzake van reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 750,-;
  • veroordeelt de Svb tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van overige schade af;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 49,80;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 16,60.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2014.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) I.J. Penning
JvC