ECLI:NL:CRVB:2014:838
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Weigering periodieke WUV-uitkering wegens onvoldoende verminderd functioneren
Appellante, geboren in 1943, werd bij besluit gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Hoewel psychische klachten en hoofdpijnen werden erkend als causaal verband houdend met de vervolging, werden hand-, rug- en blaasklachten niet erkend. Vergoeding voor huishoudelijke hulp en maatschappelijke deelname werd toegekend, maar een periodieke uitkering werd geweigerd wegens onvoldoende verminderd functioneren.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar klachten wel degelijk tot verminderd functioneren leidden, met een verslechtering van haar toestand. Zij overhandigde een verklaring van een arts ter ondersteuning. De Raad hanteerde de maatstaf van matige beperkingen in ten minste drie AMA-rubrieken of een combinatie van matige en ernstige beperkingen. De geneeskundig adviseur concludeerde echter slechts geringe tot matige beperkingen in één rubriek, onvoldoende voor toekenning.
De Raad vond geen objectieve aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat. De verklaring van de arts bevestigde vooral reeds vastgestelde slaapproblemen. Verzoek tot hernieuwd medisch onderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan objectieve gronden. Appellante had tijdens bezwaarprocedure mogelijkheden voor aanvullend onderzoek laten liggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met de opmerking dat bij een nieuwe aanvraag een toename van beperkingen kan worden beoordeeld.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende verminderd functioneren.