ECLI:NL:CRVB:2014:838

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2014
Publicatiedatum
13 maart 2014
Zaaknummer
13-475 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke WUV-uitkering wegens onvoldoende verminderd functioneren

Appellante, geboren in 1943, werd bij besluit gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Hoewel psychische klachten en hoofdpijnen werden erkend als causaal verband houdend met de vervolging, werden hand-, rug- en blaasklachten niet erkend. Vergoeding voor huishoudelijke hulp en maatschappelijke deelname werd toegekend, maar een periodieke uitkering werd geweigerd wegens onvoldoende verminderd functioneren.

Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar klachten wel degelijk tot verminderd functioneren leidden, met een verslechtering van haar toestand. Zij overhandigde een verklaring van een arts ter ondersteuning. De Raad hanteerde de maatstaf van matige beperkingen in ten minste drie AMA-rubrieken of een combinatie van matige en ernstige beperkingen. De geneeskundig adviseur concludeerde echter slechts geringe tot matige beperkingen in één rubriek, onvoldoende voor toekenning.

De Raad vond geen objectieve aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat. De verklaring van de arts bevestigde vooral reeds vastgestelde slaapproblemen. Verzoek tot hernieuwd medisch onderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan objectieve gronden. Appellante had tijdens bezwaarprocedure mogelijkheden voor aanvullend onderzoek laten liggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met de opmerking dat bij een nieuwe aanvraag een toename van beperkingen kan worden beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende verminderd functioneren.

Uitspraak

13/475 WUV
Datum uitspraak: 13 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 december 2012, kenmerk BZ01470581 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante, geboren in 1943, is bij besluit van 30 maart 2012 gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv. Hierbij is aanvaard dat appellante psychische klachten en daaruit voortvloeiende hoofdpijnen heeft die redelijkerwijs in verband staan met het ten gevolge van de vervolging omkomen van haar vader. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de handklachten, rugklachten en blaasklachten. Toegekend zijn een vergoeding voor de kosten van huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Niet toegekend is een periodieke uitkering, dit omdat volgens verweerder de causale klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
1.1.
Appellante heeft tegen het besluit van 30 maart 2012 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.
Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de als causaal aanvaarde klachten wel degelijk hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Zij heeft toegelicht dat die klachten een steeds grotere invloed hebben op haar functioneren en dat het schild dat zij om zich heen heeft gebouwd om de klachten het hoofd te bieden, steeds minder goed werkt. Zij heeft daarbij gewezen op een door haar in bezwaar overgelegde verklaring van de arts D.J. van Brummen.
2.1.
De Raad overweegt het volgende.
2.2.
Van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten in het kader van de Wuv is volgens het beleid van verweerder sprake als er tenminste matige beperkingen bestaan in drie van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, dan wel matige beperkingen in één rubriek en aanzienlijke of ernstige beperkingen in een andere. Deze maatstaf is door de Raad aanvaard.
2.3.
Appellante is onderzocht door de geneeskundig adviseur A.J. Maas, die heeft geconcludeerd dat sprake is van geringe tot matige beperkingen in één rubriek, namelijk de rubriek dagelijks functioneren. Daarmee is niet aan de onder 2.2. omschreven maatstaf voldaan. De door appellante in beroep gegeven toelichtingen lijken wel te wijzen op een achteruitgang in haar toestand, maar de Raad heeft geen objectieve aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de bevindingen van Maas ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een onderschatting van haar beperkingen inhielden. De verklaring van de arts Van Brummen is in dit verband ontoereikend, nu deze vooral een bevestiging inhoudt van de slaapproblemen en de daaruit voortvloeiende beperkingen in het dagelijks functioneren, zoals ook vastgesteld door Maas. Niet gezegd kan dan ook worden dat de in bezwaar geconsulteerde geneeskundig adviseur R.J. Roelofs ten onrechte heeft geadviseerd de bevindingen van Maas te handhaven.
2.4.
Appellante heeft aangevoerd dat haar bezwaar had moeten leiden tot hernieuwd medisch onderzoek. Gezien het ontbreken van voldoende objectieve redenen om het eerder verrichte onderzoek in twijfel te trekken, kan zij daarin niet worden gevolgd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar is gesproken over eventuele therapie, dan wel een psychodiagnostisch onderzoek, waarbij is toegezegd dat de daaruit beschikbaar komende informatie in de bezwaarprocedure zou worden betrokken, maar dat appellante van deze mogelijkheden heeft afgezien.
2.5.
Het overwogene onder 2.2 tot en met 2.4 betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter voorlichting aan appellante wordt opgemerkt dat in het kader van een eventuele nieuwe aanvraag kan worden bezien in hoeverre sprake is van een toename van de beperkingen na het nemen van het bestreden besluit.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2014.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P. Uijtdewillegen

HD