ECLI:NL:CRVB:2015:1022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- C.H. Bangma
- M.T. Boerlage
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bovenwettelijke aansluitende uitkering bij werkloosheid niet onrechtmatig
Betrokkene was sinds 1994 werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken en kreeg na haar eervol ontslag in 2008 een WW-uitkering toegekend, gevolgd door een bovenwettelijke aansluitende uitkering. De rechtbank oordeelde dat de WW-uitkering onterecht was toegekend vanwege verwijtbare werkloosheid, maar de Raad stelde vast dat het nalaten van het UWV de oorzaak was en dat herziening met terugwerkende kracht niet mogelijk was.
Appellant beëindigde daarom in mei 2011 de bovenwettelijke uitkering, omdat deze gebaseerd was op de onterechte WW-uitkering. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar de Raad stelde in hoger beroep vast dat het besluit tot beëindiging rechtmatig was omdat het UWV verplicht is een ten onrechte verleende uitkering in te trekken zonder terugwerkende kracht, tenzij dringende redenen zich voordoen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 september 2011 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de bovenwettelijke aansluitende uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit wordt gehandhaafd.