ECLI:NL:CRVB:2015:1037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellant, afkomstig uit Irak, heeft samen met zijn gezin van 2007 tot 2010 een verblijfsvergunning gehad in Nederland. In 2012 vroeg hij kinderbijslag aan op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), maar deze werd geweigerd omdat hij niet verzekerd was volgens de AKW vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) handhaafde deze beslissing na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de weigering in strijd was met artikel 8 en Pro 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was de zaak aan te houden voor een VN-Mensenrechtencomité en dat uit het internationale recht niet volgt dat appellant niet mag worden uitgesloten van de AKW-verzekering. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten. Het beroep op het discriminatieverbod en het IVRK leidde niet tot een andere uitkomst.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de gewezen uitspraak, en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een vereiste verblijfstitel.