Uitspraak
24 april 2013, 12/11660 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was tot 9 maart 2011 werkzaam als tuinbouwmedewerkster en ontving een Ziektewetuitkering wegens knie-, migraine- en psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsartsen concludeerde het UWV dat haar beperkingen waren verminderd en dat zij haar eigen werk kon hervatten, waarna de uitkering werd beëindigd per 27 september 2012.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, ondersteund door medische stukken van haar huisarts, neuroloog en i-psy, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat het medische oordeel onjuist was en oordeelde dat de klachten niet objectief ongeschikt maakten voor arbeid.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en overhandigde aanvullende medische informatie. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de verzekeringsartsen alle klachten en medische informatie zorgvuldig hadden beoordeeld en gemotiveerd waarom deze niet tot een andere conclusie leidden.
De Raad vond geen reden om het oordeel te wijzigen en bevestigde dat appellante met ingang van 27 september 2012 geschikt is voor haar eigen werk. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 27 september 2012 bevestigd.