ECLI:NL:CRVB:2015:1050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, geboren in 1980 en afkomstig uit Mauretanië, kwam in 2002 naar Nederland en had een B9-status die in 2010 verviel, waarna haar WWB-uitkering werd ingetrokken. Haar aanvraag voor kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2010 werd door de Sociale verzekeringsbank afgewezen omdat zij niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. In hoger beroep voerde appellante aan dat het internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) niet was meegewogen, en bracht zij een klacht in bij het VN-Mensenrechtencomité. De Raad oordeelde echter dat uit het internationale recht niet kan worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW.
Er werden geen schrijnende omstandigheden vastgesteld die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten. De klacht bij het VN-Mensenrechtencomité leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en liet de weigering van kinderbijslag in stand. Er werd geen schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.