ECLI:NL:CRVB:2015:1056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor werk als visfileerder
Appellant was tot 1 april 2011 werkzaam als visfileerder en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf 29 april 2011 meldde hij zich ziek en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Op 30 mei 2012 werd hij onderzocht door een verzekeringsarts die concludeerde dat appellant in staat was zijn maatgevende arbeid te hervatten. Op basis hiervan beëindigde het UWV de ZW-uitkering per 6 juni 2012.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door klachten en medicatie niet in staat was zijn werk te verrichten en dat de maatgevende arbeid onjuist was beschreven, met name vanwege de vermeende lawaaiige werkomgeving.
De Raad oordeelde dat de maatgevende arbeid correct was vastgesteld en dat er geen sprake was van bijzondere geluidsbelasting op de werkplek, waar handmatig werd gefileerd zonder lawaai van machines. De medische beoordeling van het UWV werd onderschreven, waarbij appellant geen nieuwe medische gegevens overlegde die tot een ander oordeel zouden leiden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.