Uitspraak
8 mei 2013, 12/4537 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 1 mei 2009 jongerenwerker en ontving sinds januari 2011 een Ziektewet-uitkering wegens lichamelijke klachten. Na meerdere onderzoeken concludeerde de verzekeringsarts op 29 juni 2012 dat appellant medisch gezien geschikt was om zijn werk te hervatten. Het UWV beëindigde daarop de uitkering per 2 juli 2012.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat ook zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat uit medisch onderzoek bleek dat de psychische klachten pas na 2 juli 2012 waren ontstaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een onafhankelijk medisch deskundige moest worden ingeschakeld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen medische informatie was die het oordeel van de verzekeringsarts in twijfel kon trekken. De Raad bevestigde daarom het besluit dat appellant vanaf 2 juli 2012 geschikt is voor arbeid en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 2 juli 2012 wordt bevestigd.