ECLI:NL:CRVB:2015:110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel in mei 2009 uit wegens een voorhoofdsholteontsteking, later gevolgd door gewrichts- en vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde bij besluit van 17 juni 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd.
De rechtbank benoemde een orthopedisch chirurg die geen orthopedisch lijden constateerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende rekening hadden gehouden met de beperkingen van appellant volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat diagnoses zoals CVS en somatoforme stoornis onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Hij overhandigde een neuropsychiatrisch rapport dat beperkingen op diverse terreinen bevestigde.
De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het fysieke en psychische belastingsvermogen adequaat had beoordeeld en dat het rapport van de psychiater onvoldoende aanleiding gaf het oordeel te herzien, mede omdat het rapport ruim drie jaar na de beoordelingsdatum was opgesteld. Ook was geen medische reden gevonden om de geselecteerde functies als ongeschikt te beschouwen.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.