Appellante was werkzaam bij de gemeente Dordrecht en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim in de vorm van tijdfraude, gebaseerd op een rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche. Het ontslag betrof onder meer het schrijven van uren op dagen dat zij niet werkte en het voortijdig afsluiten van het gebouw.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat niet alle gedragingen waarop het ontslag was gebaseerd, in het ontslagvoornemen waren genoemd en dus buiten beschouwing moesten blijven. De Raad vond dat alleen de gedragingen uit het ontslagbesluit zelf als grondslag konden dienen.
Hoewel appellante de feiten niet betwistte, stelde de Raad vast dat voor twee van de dagen sprake was van administratieve fouten zonder opzet tot tijdfraude. Het plichtsverzuim op 8 oktober 2011 en het voortijdig afsluiten van het gebouw werd wel erkend, maar het ontslag werd als onevenredig beoordeeld gezien de omstandigheden en het geringe financiële nadeel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en bepaalde dat het college een nieuwe, lichtere straf moet opleggen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.