ECLI:NL:CRVB:2015:1154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf oktober 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Aanvankelijk werd zij geacht voor meer dan 45% arbeidsongeschikt te zijn, maar een herbeoordeling door het UWV in februari 2011 concludeerde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedroeg. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok daarop de uitkering per 1 april 2011 in, maar stelde na bezwaar de intrekkingsdatum bij tot 1 oktober 2011.
De rechtbank vernietigde dit besluit voor zover het de beëindigingsdatum betrof en stelde deze vast op 1 juli 2012, rekening houdend met een nieuwe uitlooptermijn. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ook na deze datum arbeidsongeschikt was, onderbouwd met een rapport van een bedrijfs- en verzekeringsarts die meer beperkingen constateerde dan het UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het geschil zich beperkt tot de vraag of appellante vanaf 1 juli 2012 recht had op de uitkering. De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV zorgvuldig was en dat het rapport van de bedrijfsarts geen nieuwe objectieve medische feiten bevatte. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) gaf aan dat appellante in staat was de voorgelegde functies te vervullen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 1 juli 2012 geen recht meer heeft op de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.