ECLI:NL:CRVB:2015:1425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens aanspraak op middelen uit onverdeelde boedel
Appellante ontving bijstand van augustus 2010 tot en met september 2011 en kreeg later een bedrag uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning. Het college vorderde terugbetaling van de bijstand over deze periode, omdat zij aanspraak had op middelen uit de onverdeelde boedel.
De rechtbank had de terugvordering beperkt tot het netto bedrag van €9.188,31 en verklaarde het beroep van appellante gegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de aanspraak pas ontstond bij inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in april 2011 en dat de terugvordering onvoldoende was onderbouwd.
De Raad oordeelde dat de aanspraak op middelen al bestond vóór de bijstandsverlening en dat terugvordering daarom vanaf de startdatum van de bijstand gerechtvaardigd is. De daadwerkelijke beschikking over het bedrag in oktober 2011 doet hieraan niet af. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 mei 2015.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd vanaf de startdatum van de bijstandsverlening wegens aanspraak op middelen uit de onverdeelde boedel.