ECLI:NL:CRVB:2015:1452

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2015
Publicatiedatum
7 mei 2015
Zaaknummer
13-5883 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35% na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant trad op 21 juli 2009 in dienst bij een BV en viel kort daarna uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 20 juli 2011 vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank vernietigde dit besluit maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de juiste maatmanfunctie werd gehanteerd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV zijn beperkingen onderschatte en overlegde een rapport van Argonaut uit 2013. De Centrale Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerde, een hoorzitting bijwoonde en relevante medische informatie betrok. Het rapport van Argonaut bood geen aanleiding tot een ander oordeel, mede vanwege de chronologische medische gegevens over de longaandoening.

De Raad bevestigde dat appellant medisch in staat is de werkzaamheden te verrichten die bij de geduide functies horen en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% blijft. Het hoger beroep slaagde niet, de aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellant medisch in staat is de geduide functies te verrichten met een arbeidsongeschiktheid onder 35%.

Uitspraak

13/5883 WIA
Datum uitspraak: 17 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
25 september 2013, 12/1485 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. van der Staaij, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met bepaling van een nader standpunt ingediend.
Appellant heeft een in opdracht van de gemeente Haarlem door Argonaut opgesteld rapport “medische indicatie Wet Maatschappelijke Ondersteuning” over appellant van 14 oktober 2013 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 21 juli 2009 in dienst getreden bij [BV] voor 28 uur per week. Op 28 juli 2009 is hij wegens lichamelijke en psychische klachten voor dit werk uitgevallen.
2.1.
Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het Uwv, voor zover thans nog van belang, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 juli 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.2.
Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op minder dan 35%.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe - samengevat en thans nog van belang - overwogen dat er geen gronden zijn te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en de uit dit onderzoek door deze arts getrokken conclusies. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv een onjuiste maatmanfunctie heeft gehanteerd. Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij hantering van de juiste maatmanfunctie minder dan 35% blijft, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat en dat hij niet in staat is de voorbeeldfuncties te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van Argonaut van 14 oktober 2013 overgelegd.
4.2.
Het Uwv heeft aangevoerd dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Vastgesteld wordt dat uitsluitend appellant in hoger beroep is gekomen, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn van louter medische aard. De stelling van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is, slaagt niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier heeft bestudeerd, de hoorzitting heeft bijgewoond en informatie van de behandelend sector bij haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is. Appellant heeft zijn stelling dat dit onderzoek niet zorgvuldig was niet nader geconcretiseerd. Naar aanleiding van hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat bij appellant beperkingen bestaan. Met name zijn bij appellant chronische longproblematiek, klachten van de nek, schouder en rug en psychische klachten geconstateerd. Gelet op alle beschikbare medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant minder psychische beperkingen dan de verzekeringsarts gehandhaafd en voorts de beperkingen voor de longaandoening gehandhaafd. Terecht is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat van de medische beoordeling zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 december 2011. Het rapport van Argonaut van 14 oktober 2013 is opgesteld in het kader van een door appellant aangevraagde WMO-voorziening. Dit rapport bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is onderschat. Dit geldt te meer nu in dit rapport wordt vermeld dat de longaandoening, die in de loop der jaren aanzienlijk is verslechterd, in een brief van de longarts van 5 juni 2003 werd geduid als een matig obstructieve longfunctiestoornis en eerst op 8 augustus 2012 als ernstig COPD en longemfyseem. Hetgeen appellant verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht, vormt evenmin aanleiding voor een ander oordeel.
5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 15 december 2011 heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat appellant medisch in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank tevens met juistheid vastgesteld dat het percentage arbeidsongeschiktheid van appellant onder de 35 blijft.
5.4.
Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) S. Aaliouli

NK