ECLI:NL:CRVB:2015:1470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inkomensvrijlating bij nul-uren contract in bijstandsuitkering
Appellante, bijstandsgerechtigde sinds maart 2012, had een nul-uren contract vanaf januari 2013 en werkte uiteindelijk zes weken. Het college verrekende inkomsten uit dit contract met de bijstand, waarbij een fictief bedrag voor februari 2013 ten onrechte werd verrekend, wat het college deels herstelde. Appellante maakte bezwaar tegen de verrekening en voerde aan dat deeltijdwerk altijd bijdraagt aan arbeidsinschakeling, ook zonder uitzicht op een vaste aanstelling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB beleidsregels mag hanteren die vereisen dat inkomstenvrijlating alleen wordt toegekend als het werk uitzicht biedt op uitbreiding en uitstroom uit de uitkering.
Het nul-uren contract van appellante bood geen duurzaam karakter of uitzicht op vaste aanstelling, en zij werkte slechts zes weken. Het college heeft deze omstandigheden terecht meegewogen. De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid tot zijn standpunt kon komen dat de inkomensvrijlating niet bijdraagt aan arbeidsinschakeling en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de verrekening van inkomsten zonder inkomensvrijlating wordt bevestigd.