ECLI:NL:CRVB:2015:1589

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2015
Publicatiedatum
21 mei 2015
Zaaknummer
13-2401 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 14 februari 1972
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing AOW-pensioen wegens ontbreken verzekering echtgenoot in Nederland

Appellante, geboren in 1936, heeft medio 2011 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Zij stelde dat haar overleden echtgenoot in Nederland had gewoond en gewerkt, wat recht zou geven op een AOW-pensioen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat niet was gebleken dat de echtgenoot in Nederland verplicht verzekerd was geweest.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs had geleverd dat haar echtgenoot verzekerd was geweest. Het enkele aanvraagformulier voor kinderbijslag uit 1972 was onvoldoende, en uit onderzoek bleek dat de echtgenoot niet bekend was in relevante Nederlandse registers. Appellante bracht geen aanvullende bewijsstukken in.

In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar bracht geen nieuwe feiten of bewijsstukken aan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit niet tot een ander oordeel leidt en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het AOW-pensioen bevestigd.

Uitspraak

13/2401 AOW
Datum uitspraak: 8 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 april 2013, 12/2830 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Marokko) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1936, is gehuwd geweest met [naam], eveneens geboren in 1936. Hij is overleden op 24 oktober 2005. Appellante, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, heeft medio 2011 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) ingediend. In dat verband heeft zij te kennen gegeven dat haar overleden echtgenoot in Nederland heeft gewoond en gewerkt.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb gehandhaafd zijn besluit van 19 september 2011 waarbij aan appellante is medegedeeld dat zij geen recht heeft op een ouderdomspensioen, omdat zij nooit verzekerd is geweest voor de AOW. Voorts kan appellante geen aanspraak maken op een AOW-pensioen op grond van artikel 21 van Pro het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 14 februari 1972 (NMV) aangezien zij geen verzekeringstijdvakken kan ontlenen aan tijdvakken van verzekering van haar overleden echtgenoot. Immers, niet is gebleken dat de overleden echtgenoot in Nederland verplicht verzekerd is geweest.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Geoordeeld is daarbij dat appellante er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat haar echtgenoot op grond van de AOW verzekerd is geweest. Het ingebrachte aanvraagformulier voor kinderbijslag van 7 maart 1972 is daartoe onvoldoende, omdat gesteld noch gebleken is dat er aan de echtgenoot van appellante ook daadwerkelijk kinderbijslag is toegekend. Verder is uit onderzoek van de Svb gebleken dat de echtgenoot niet bekend is in het schakelregister, de administratie van het Kantoor Verzekeringen en evenmin in het zogenoemde kinderbijslagarchief. Appellante heeft op haar beurt geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat haar echtgenoot gedurende hun huwelijk in Nederland heeft gewerkt.
3. In hoger beroep heeft appellante gehandhaafd haar standpunt dat zij recht heeft op een AOW-pensioen.
4. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellante geen stukken ingebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat haar echtgenoot gedurende hun huwelijk in Nederland verzekerd is geweest. Geconcludeerd wordt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van
P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) P. Uijtdewillegen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

NK

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par T.L. de Vries en présence de I.J. Penning en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 8 mai 2015.
Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.