Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:1616

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2015
Publicatiedatum
26 mei 2015
Zaaknummer
14-477 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor aanschaf huishoudelijke artikelen na ontruiming woning

Appellante ontving een ouderdomspensioen en had haar woning ontruimd na ontbinding van de huurovereenkomst. Na de ontruiming werd een deel van haar inboedel opgeslagen en een deel afgevoerd. Appellante deed aangifte van vermissing van enkele goederen en vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en later voor huishoudelijke artikelen, keuken- en toiletartikelen en meubels.

Het college kende eerder bijzondere bijstand toe voor duurzame gebruiksgoederen en opslagkosten, maar wees de aanvraag voor huishoudelijke artikelen af omdat deze niet onder de eerdere toekenningen viel en omdat niet was aangetoond dat deze artikelen waren verdwenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat huishoudelijke artikelen waren verdwenen na de ontruiming. De aanvraag zag volgens de Raad terecht niet op deze artikelen. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door E.C.R. Schut op 26 mei 2015.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor huishoudelijke artikelen wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van vermissing.

Uitspraak

14/477 WWB
Datum uitspraak: 26 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2013, 13/4804 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft en verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 5 mei 2012 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet.
1.2.
Bij vonnis van 13 april 2012 heeft de kantonrechter te Amsterdam de door appellante en de stichting Woningstichting [woningstichting] gesloten huurovereenkomst van de woning aan de[adres] (woning) ontbonden en appellante onder meer veroordeeld tot ontruiming van deze woning. Op 9 augustus 2012 is de woning feitelijk ontruimd en is een deel van de boedel opgeslagen en een deel van de boedel afgevoerd. Van de ontruiming is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin staat vermeld dat vloerbedekking, een koelkast, twee vriezers, huisvuil, planten en balkon huisvuil zijn afgevoerd. Nadat appellante eind 2012 zelfstandige woonruimte is aangeboden, heeft zij de opgeslagen boedel terugontvangen. Op 25 maart 2013 heeft appellante bij de politie Amsterdam-Amstelland aangifte gedaan van de vermissing van een bank, een gouden ketting, € 1.400,- en twee vriezers.
1.3.
Op 10 januari 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand voor onder meer de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Het college heeft bij besluit van 12 februari 2012 bijzondere bijstand aan appellante toegekend tot een bedrag van € 2.136,- voor de aanschaf van een koel/vriescombinatie, een gasfornuis, een wasmachine en vloerbedekking.
1.4.
Op 13 februari 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de opslagkosten voor de duurzame gebruiksgoederen. Het college heeft voor deze kosten bij besluit van 26 februari 2013 bijzondere bijstand aan appellante toegekend ten bedrage van € 1.673,57.
1.5.
Op 16 mei 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van huishoudelijke artikelen, keuken- en toiletartikelen en meubels tot een bedrag van € 2.719,-.
1.6.
Bij besluit van 7 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat aan appellante eerder bijzondere bijstand is toegekend voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en voor de kosten van opslag van haar inboedel na ontruiming. Bij de ontruiming van de woning zijn van de boedel alleen de vloerbedekking, een koelkast en twee vriezers als huisvuil afgevoerd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat appellante de rest van de inboedel van de woning heeft ontvangen van de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven (Dienst).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante voert aan dat zij niet alle goederen heeft teruggekregen die na de ontruiming van haar woning waren opgeslagen. Er zijn ook huishoudelijke artikelen verdwenen. Haar aanvraag ziet op de aanschafkosten van deze artikelen. Het college heeft verzuimd hierop te beslissen.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft ook al tijdens de hoorzitting van
23 juli 2013 te kennen gegeven dat zij niet al haar goederen heeft teruggekregen die door de Dienst waren opgeslagen. Vervolgens heeft zij verklaard dat haar aanvraag om bijzondere bijstand ziet op de kosten van aanschaf van de verdwenen goederen, te weten een koelkast, twee vriezers en een bankstel. Gelet hierop wordt, evenals de rechtbank geoordeeld, dat het college bij het nemen van het bestreden besluit er terecht van is uitgegaan dat de aanvraag om bijzondere bijstand niet zag op de kosten van de aanschaf van huishoudelijke artikelen.
4.3.
Voor zover appellante thans stelt dat ook huishoudelijke artikelen zijn verdwenen na de ontruiming van haar woning, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. Dat appellante daarover niet zou beschikken, blijkt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet uit het proces-verbaal van ontruiming van 9 augustus 2012, noch uit de aangifte van vermissing van 25 maart 2013. Tijdens de hoorzitting heeft appellante van het ontbreken van deze artikelen evenmin gewag gemaakt. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante voorts niet geconcretiseerd om welke gebruiksgoederen het zou gaan. Ook in hoger beroep heeft zij hierover geen duidelijkheid verschaft.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD