Uitspraak
8 januari 2014, 13/195 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1985 werkzaam bij de gemeente Veendam en later bij De Kompanjie. In 2009 werden klachten geuit over zijn ongepaste gedrag jegens vrouwelijke collega’s en zijn functioneren. Na een coachingsperiode verbeterde hij aanvankelijk, maar in 2011 en 2012 bleven er tekortkomingen in zijn functioneren en herhaalde zich het ongepaste gedrag.
Het dagelijks bestuur van De Kompanjie besloot appellant te schorsen en hem uiteindelijk eervol ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, gebaseerd op zijn algemene functioneren en het ongepaste gedrag. Appellant kreeg geen nawettelijke uitkering omdat het ontslag grotendeels aan hemzelf te wijten was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen zich te verbeteren, dat het onderzoek naar het ongepaste gedrag zorgvuldig was, en dat het ontslag terecht was. Ook het besluit tot weigering van een nawettelijke uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens onbekwaamheid en ongepast gedrag wordt bevestigd en de aanvraag voor nawettelijke uitkering afgewezen.