ECLI:NL:CRVB:2015:1829
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend financieel belang
Verzoeker, een voormalige productiemedewerker, viel op 21 april 2010 uit en werd na de wettelijke wachttijd beoordeeld op zijn recht op een WIA-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 4 april 2012 vast dat verzoeker geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en beroep op 27 september 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond.
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en vroeg om een voorlopige voorziening in afwachting van de definitieve beslissing. Hij stelde dat hij door de weigering in financiële nood was gekomen en niet meer in het levensonderhoud van zijn gezin kon voorzien.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend financieel belang. Verzoeker overlegde financiële gegevens waaruit bleek dat zijn echtgenote een netto inkomen van minstens €1.500 per maand heeft, wat hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Dit maakte aannemelijk dat in de primaire levensbehoeften van het gezin kon worden voorzien. Ook andere verklaringen konden dit niet veranderen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 1 juni 2015 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.