ECLI:NL:CRVB:2015:1832

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2015
Publicatiedatum
10 juni 2015
Zaaknummer
13-4059 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel in 2007 uit wegens rug- en schouderklachten. Het UWV stelde in 2009 vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor hij geen WIA-uitkering kreeg. In 2011 meldde appellant zich ziek wegens rugklachten en psychische problemen en ontving een Ziektewetuitkering. Een verzekeringsarts stelde in december 2011 vast dat appellant geen recht meer had op deze uitkering, omdat zijn beperkingen niet waren toegenomen.

Appellant voerde bezwaar aan tegen dit besluit, met name over de vaststelling van zijn psychische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegde enkele beperkingen toe, maar de arbeidsdeskundige achtte ten minste één functie geschikt. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond geen aanleiding om aan het medisch oordeel te twijfelen.

In hoger beroep stelde appellant dat de psychische beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat het UWV zijn fysieke beperkingen onderschatte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de informatie van de behandelend psychiater uit 2012 en 2013 geen aanleiding gaf tot twijfel aan het eerdere medisch oordeel. Het verschil in ernst van klachten was onverklaard gebleven. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

13/4059 ZW
Datum uitspraak: 29 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
20 juni 2013, 12/4089 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Bonsen-Lemmers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.M.G. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft gewerkt als productiemedewerker/medewerker kruidenkwekerij. Op
28 februari 2007 is hij uitgevallen voor deze werkzaamheden wegens rug- en schouderklachten. Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 februari 2009 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedroeg. Het desbetreffende besluit is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 21 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1799, in rechte onaantastbaar geworden.
1.2.
Appellant heeft zich per 24 januari 2011 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens rugklachten. Nadien bleek dat appellant ook psychische klachten heeft. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 7 december 2011 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat er sprake is van rugklachten als gevolg van een hernia, maar dat niet duidelijk is in welke zin deze klachten zijn toegenomen ten opzichte van appellants gezondheidstoestand bij de WIA-beoordeling in 2009. De klachten van de rug en het rechterbeen zijn zodanig dat er beperkingen gelden ten aanzien van dynamische en statische houdingen. Omdat in de in 2009 geselecteerde functies voldoende rekening is gehouden met deze klachten, is bij besluit van 7 december 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 14 december 2011 geen recht meer heeft op een
ZW-uitkering.
1.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband met de depressieve stoornis waar appellant aan lijdt enkele beperkingen toegevoegd aan de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep achtte tenminste één van de in 2009 in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies onveranderd geschikt voor appellant. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 december 2011 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met name zijn psychische beperkingen niet juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat uit de informatie van de behandelend psychiater van 3 december 2012 en 18 februari 2013 niet volgt dat appellant op de datum in geding, 14 december 2011, ernstiger beperkt was. Ook meent appellant dat het Uwv zijn fysieke beperkingen heeft onderschat.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In dit geval betreft het de functie van magazijn-, expeditiemedewerker.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de in beroep ingediende informatie van de behandelend psychiater van 3 december 2012 en 18 februari 2013 geen aanleiding geeft tot twijfel aan het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep mocht afgaan op de door de psychiater in de brief van 12 december 2011 beschreven situatie. Appellant heeft in hoger beroep wederom gewezen op de brieven van de psychiater uit 2012 en 2013, maar omdat ook in hoger beroep geen verklaring is gegeven voor het terecht door de rechtbank opgemerkte onverklaarde verschil in de ernst van de door deze psychiater beschreven klachten als gevolg van de depressie in 2011 en 2012, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
4.3.
Hetgeen in 4.1 en 4.2 overwogen is leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2015.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) V. van Rij
JvC