ECLI:NL:CRVB:2015:1832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel in 2007 uit wegens rug- en schouderklachten. Het UWV stelde in 2009 vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor hij geen WIA-uitkering kreeg. In 2011 meldde appellant zich ziek wegens rugklachten en psychische problemen en ontving een Ziektewetuitkering. Een verzekeringsarts stelde in december 2011 vast dat appellant geen recht meer had op deze uitkering, omdat zijn beperkingen niet waren toegenomen.
Appellant voerde bezwaar aan tegen dit besluit, met name over de vaststelling van zijn psychische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegde enkele beperkingen toe, maar de arbeidsdeskundige achtte ten minste één functie geschikt. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond geen aanleiding om aan het medisch oordeel te twijfelen.
In hoger beroep stelde appellant dat de psychische beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat het UWV zijn fysieke beperkingen onderschatte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de informatie van de behandelend psychiater uit 2012 en 2013 geen aanleiding gaf tot twijfel aan het eerdere medisch oordeel. Het verschil in ernst van klachten was onverklaard gebleven. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.