ECLI:NL:CRVB:2015:1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op WIA-uitkering na medische beoordeling
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel in 2010 uit wegens lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 4 april 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en derhalve geen recht had op een WIA-uitkering. Na een ziekmelding in 2013 en een operatie aan het been, waarbij een pin uit de enkel werd verwijderd, stelde het UWV bij besluit van december 2013 dat appellante geschikt was voor de eerder geduide functies en geen recht meer had op ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door de operatie en psychische klachten niet in staat was de functies uit te oefenen en dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen bij haar behandelend sector. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de operatie slechts minimale weefselschade veroorzaakte. De verzekeringsarts constateerde geen afwijkingen in de psyche en vond geen aanleiding om het oordeel van het UWV te verwerpen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.