ECLI:NL:CRVB:2015:1864

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
12 juni 2015
Zaaknummer
14-964 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na intrekking bezwaar pensioenafkoopkorting op ANW-uitkering

De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) inzake de korting van een afkoopsom pensioen op haar ANW-uitkering en de terugvordering van teveel betaalde uitkering.

Na een eerdere tussenuitspraak heeft de Svb een nieuw besluit genomen waarin zij afziet van de korting en terugvordering, waarmee het bezwaar van appellante geheel is gehonoreerd. Appellante stelde dat het nieuwe besluit een motiveringsgebrek vertoont doordat niet is toegelicht waarom is afgezien van een nieuwe hoorzitting.

De Raad oordeelt dat de Svb niet verplicht was tot een nieuwe hoorzitting, maar wel had moeten motiveren waarom daarvan werd afgezien. Omdat appellante niet in haar belangen is geschaad, blijft het besluit in stand. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar geheel is gehonoreerd en het nieuwe besluit ondanks een motiveringsgebrek in stand blijft.

Uitspraak

14/964 ANW
Datum uitspraak: 12 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2014, 13/7964 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4145, een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft de Svb op 16 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. In dat besluit is het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van
23 augustus 2013 ingetrokken.
Namens appellante heeft mr. drs. G.E. Treffers, desgevraagd, op 19 maart 2015 een zienswijze ingestuurd over dit nieuwe besluit.
De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 19 december 2014 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2.
Met het besluit van 16 februari 2015 heeft de Svb appellante laten weten dat de afkoopsom pensioen niet zal worden gekort op de ANW-uitkering van appellante en dat de terugvordering van de teveel betaalde ANW-uitkering niet wordt gehandhaafd.
1.3.
Namens appellante is in de brief van 19 maart 2015 gemeld dat aan haar oorspronkelijk bezwaar geheel tegemoet is gekomen. Wel meent zij dat er met het nieuwe besluit op bezwaar een nieuw gebrek is ontstaan, nu op grond van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb de Svb had moeten motiveren waarom is afgezien van een nieuwe hoorzitting. Tevens verzoekt zij om vergoeding van proceskosten.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Vastgesteld wordt dat met het besluit van 16 februari 2015 aan het inhoudelijke bezwaar van appellante geheel tegemoet is gekomen. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.2.
Over de stelling van appellante dat er een nieuw gebrek kleeft aan het besluit van 16 februari 2015 wordt het volgende overwogen. Gezien het bepaalde in artikel 7:3, onder e, van de Awb was de Svb niet gehouden appellante opnieuw uit te nodigen voor een hoorzitting. Wel had in het besluit, op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, gemotiveerd moeten worden waarom was afgezien van een hoorzitting. Nu namens appellante is opgemerkt dat zij hierdoor niet in haar belangen is geschaad, zal het besluit van 16 februari 2015, ondanks dit gebrek, gezien artikel 6:22 van Pro de Awb in stand worden gelaten. Het beroep dat geacht wordt tegen dit besluit te zijn ingesteld, zal ongegrond worden verklaard.
3. Nu in het besluit van 16 februari 2015 door de Svb reeds een vergoeding van kosten in bezwaar is toegekend, bestaat nog aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 februari 2015 ongegrond;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.205;
- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.D.F. de Moor
ew