Uitspraak
7 november 2013, 13/2309 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door de verzekeringsarts waren onderschat, dat zij vanwege haar dwangstoornis niet normaal kon functioneren en dat zij inmiddels opname voor behandeling nodig had. Ook stelde zij dat haar medicijngebruik haar belastbaarheid negatief beïnvloedde en verzocht zij om een onafhankelijk medisch deskundige.
De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid per datum in geding (15 oktober 2012). De beperkingen waren adequaat gemotiveerd en de medische gegevens, inclusief medicatie-informatie en nadere stukken, gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. De huidige opname-indicatie was niet relevant voor de beoordeling op de datum in geding.
De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat is de geselecteerde functies te verrichten, gebaseerd op arbeidskundige rapporten die overtuigend onderbouwden dat zij deze functies met haar beperkingen kan uitvoeren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.