ECLI:NL:CRVB:2015:2036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant is wegens hand- en rugklachten arbeidsongeschikt gemeld en heeft aanspraak gemaakt op een WIA-uitkering. Het UWV heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar deze werden ongegrond verklaard. Vervolgens werd ook een Ziektewet-uitkering geweigerd omdat appellant geschikt werd geacht voor passende functies.
De rechtbank heeft de besluiten van het UWV bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat zijn beperkingen zwaarder wegen en dat hij recht heeft op een IVA-uitkering, maar de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom nieuwe medische stukken geen aanleiding geven het eerdere standpunt te wijzigen. De arbeidsdeskundige bevestigde de geschiktheid van de geduide functies. De Raad concludeert dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering en dat hij geschikt is voor passende arbeid, waardoor ook het bezwaar tegen de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen.
De Raad wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af en bevestigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.