Uitspraak
12 november 2013, 13/3068 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig huishoudelijk medewerker, diende een WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens knie-, rug- en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onvoldoende zorgvuldig waren onderzocht en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was ingevuld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant adequaat hadden vastgesteld. De medische stukken die appellant overlegde boden geen aanleiding tot twijfel aan dit oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had gemotiveerd dat appellant de functies van inpakker, machinebediende en samensteller kunststof- en rubberindustrie kan vervullen zonder overschrijding van zijn belastbaarheid.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Wel werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant vanwege de pas in hoger beroep gegeven arbeidskundige toelichting. Het UWV moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.