Uitspraak
17 december 2013, 13/2337 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek wegens knieklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidsdeskundige rapporten werden betrokken. De verzekeringsarts beperkte appellant onder meer in lopen, traplopen en het continu bedienen van een pedaal met het linkerbeen, maar achtte het voldoende dat appellant tijdens het werk zijn been kan strekken.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat de medische stukken geen aanleiding gaven tot andere beperkingen en de arbeidsdeskundige voldoende motiveerde dat appellant de voor hem geselecteerde functies kon vervullen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in staat was zijn linkerbeen te strekken binnen de functies, wat volgens hem ongeschikt maakte.
De Centrale Raad van Beroep beperkte de beoordeling tot dit punt en overwoog dat de functieomschrijvingen voldoende ruimte boden om te wisselen tussen zitten en staan, waardoor het strekken van het been mogelijk is. De Raad concludeerde dat de functies geschikt zijn en verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.