ECLI:NL:CRVB:2015:207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep wegens vervallen vordering onverschuldigd betaald salaris zonder tegemoetkoming loonsanctie
Appellant, voormalig productiemedewerker bij een besloten vennootschap, was ziek uitgevallen en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV legde een loonsanctie op aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, maar deze werd later door bezwaar vervallen verklaard. Appellant was het niet eens met het vervallen van de loonsanctie en stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen van het vervallen van de loonsanctie in stand liet.
Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van deze rechtsgevolgen, stellende dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd. Later werd het hoger beroep ingetrokken nadat de werkgever de vordering wegens onverschuldigd betaald salaris aan appellant had laten vervallen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze intrekking niet het gevolg was van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb.
Het verzoek van appellant om het UWV te veroordelen in de proceskosten werd afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het vervallen van een vordering wegens onverschuldigd betaald salaris niet gelijkstaat aan een tegemoetkoming die proceskostenveroordeling rechtvaardigt.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat intrekking hoger beroep niet het gevolg is van tegemoetkoming loonsanctie.