ECLI:NL:CRVB:2015:2122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Deelwijziging intrekking en terugvordering bijstand wegens zelfstandige activiteiten in het buitenland
Appellant ontving vanaf 29 maart 2006 bijstand op grond van de WWB. Na onderzoek startte het college in 2011 een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand, vanwege aanwijzingen dat appellant sinds 28 maart 2007 aandeelhouder en directeur/secretaris was van een bedrijf in Groot-Brittannië en meerdere buitenlandse bankrekeningen had geopend. Het college trok bij besluit van 15 mei 2012 de bijstand in vanaf 28 maart 2007 en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep erkende appellant de schending van de inlichtingenplicht, maar stelde dat het bedrijf slechts een slapend bestaan leidde en geen activiteiten werden ontplooid. Het college erkende dat geen concrete aanwijzingen bestonden voor inkomsten uit zelfstandige activiteiten, maar hield vast dat appellant wel activiteiten had ontplooid die het recht op bijstand belemmerden.
De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat de zelfstandige activiteiten slechts tot 20 november 2007 plaatsvonden en dat het bedrijf daarna slapend was. Daarom was de intrekking van bijstand vanaf 21 november 2007 onterecht. Ook de terugvordering over de eerste vier maanden van 2012 werd herroepen. Het college moet een nieuwe berekening maken van het terug te vorderen bedrag. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van bijstand is deels vernietigd en het college moet een nieuwe terugvorderingsbeslissing nemen.