Uitspraak
25 maart 2014, 13/5478 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 1999 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een tip dat appellant zijn woning onderverhuurde, voerde de gemeente een onderzoek uit, inclusief een huisbezoek. Appellant gaf aan de Nederlandse taal onvoldoende te beheersen, maar tekende voorafgaand aan het huisbezoek een toestemmingsformulier.
De gemeente trok de bijstand met ingang van 3 juni 2013 in wegens onjuiste opgave van de woonsituatie en schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet begreep waarvoor hij toestemming gaf en dat het huisbezoek onrechtmatig was.
De Raad oordeelde dat er een redelijke grond bestond voor het huisbezoek vanwege concrete en objectieve aanwijzingen. De eis van informed consent was vervuld, ondanks taalbarrière, omdat appellant het toestemmingsformulier ondertekende en in staat was korte vragen te beantwoorden. De bevindingen van het huisbezoek ondersteunden het standpunt dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens onjuiste opgave van de woonsituatie en schending van de inlichtingenverplichting.