ECLI:NL:CRVB:2015:2239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als chef-kok, meldde zich op 5 april 2010 arbeidsongeschikt. Het UWV stelde bij besluit van 1 mei 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding op 4 september 2012 kende het UWV ziekengeld toe, maar beëindigde dit per 18 oktober 2012 omdat appellant volgens een verzekeringsarts weer in staat was passende werkzaamheden te verrichten.
De rechtbank vernietigde dit besluit aanvankelijk wegens onvoldoende medisch onderzoek, maar na aanvullend onderzoek bevestigde zij dat appellant op 18 oktober 2012 in staat was om de voorgehouden voorbeeldfunctie te vervullen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een rapport van een adviserend geneeskundige van de GGD, opgesteld in het kader van een bijstandsaanvraag, tot een andere conclusie leidde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit rapport niet relevant was voor de gezondheidstoestand op 18 oktober 2012 en bovendien in een ander wettelijk kader was opgesteld. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 18 oktober 2012 wordt bevestigd.