ECLI:NL:CRVB:2015:231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds november 2009 wegens been- en heupklachten arbeidsongeschikt en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij medische en arbeidsdeskundige rapporten werden overlegd. De rechtbank oordeelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanvankelijk onvolledig was, maar na aanpassing op item 5.9 (afwisseling van houding) voldoende was om de belastbaarheid van appellante juist vast te stellen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar pijnklachten waren toegenomen en dat de geschikte functies onvoldoende afwisseling boden tussen zitten, staan en lopen. De Raad stelde vast dat deze argumenten onvoldoende aanleiding geven om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De medische gegevens en ziekmeldingen in 2013 ondersteunen niet dat haar beperkingen per 14 november 2011 zijn toegenomen. De arbeidsdeskundige rapporten motiveren dat de belastbaarheid niet wordt overschreden en dat er voldoende rekening is gehouden met de afwisseling van houdingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.