ECLI:NL:CRVB:2015:234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Weigering vervoersvoorziening wegens ontbreken medische noodzaak voor werkplekbereik
Appellant, werkzaam als senior adviseur bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, vroeg een vervoersvoorziening aan voor de periode januari 2010 tot en met februari 2011 vanwege ernstige rug- en nekklachten. Het UWV wees het verzoek af omdat uit medisch onderzoek bleek dat appellant zelfstandig met het openbaar vervoer naar zijn werk kon reizen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de rapporten van verzekeringsartsen als zorgvuldig en overtuigend beoordeelde. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel een medische noodzaak bestond en overhandigde aanvullende medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe stukken geen betrekking hadden op de relevante periode en onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts dat appellant zelfstandig per tram kon reizen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de vervoersvoorziening bevestigd.