ECLI:NL:CRVB:2015:2377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- H. van Leeuwen
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijnoverschrijding en herzieningsverzoek Wajong-uitkering
Appellant heeft bij het UWV verzocht om terug te komen op een besluit uit 2003 waarbij de korting op zijn Wajong-uitkering werd opgeheven. Dit verzoek werd afgewezen en het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn cognitieve beperkingen door niet-aangeboren hersenletsel de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. De Raad oordeelde echter dat appellant redelijkerwijs hulp had kunnen inschakelen om tijdig bezwaar te maken, en dat het neurorevalidatierapport geen aanwijzingen gaf voor onvermogen tot tijdige indiening.
Verder behandelde de Raad het verzoek om herziening van de Wajong-uitkering. De Raad stelde vast dat het door appellant aangevoerde rapport van 2001 geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde en dat de grondslag van de uitkering terecht was vastgesteld op het wettelijk minimumloon. Ook de beoogde verhoging van het maatmaninkomen kon niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan reeds vastgesteld.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en wijst het verzoek om herziening van de Wajong-uitkering af.