ECLI:NL:CRVB:2015:2720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woon- en leefsituatie bij aanvraag bijstand WWB na huisbezoek
Appellant diende op 2 augustus 2012 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij verklaarde inwonend te zijn bij een derde en maandelijks huur te betalen. De intergemeentelijke sociale dienst voerde een onderzoek uit, bestaande uit een gesprek en aansluitend een huisbezoek op het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek werden feitelijke bevindingen gedaan die niet strookten met de eerdere verklaringen van appellant, zoals het ontbreken van een tweepersoonsbed en een niet aangesloten tv in de slaapkamer.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af en verklaarde de bezwaren ongegrond, omdat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woonsituatie. De rechtbank bevestigde deze beslissing, stellende dat onvoldoende aannemelijk was dat appellant daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verschillen niet zodanig waren dat het dagelijks bestuur kon concluderen dat hij onjuiste informatie had verstrekt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de discrepanties tussen de verklaringen en de feitelijke situatie, direct na het gesprek vastgesteld, niet overtuigend waren verklaard door appellant. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.