ECLI:NL:CRVB:2015:2807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat hij vanaf 2 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank Limburg bevestigde dit besluit.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege psychische klachten, waaronder PTSS, volledig arbeidsongeschikt zou moeten zijn en dat zijn beperkingen onvoldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren verwerkt. Tevens stelde hij dat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst om de geduide functies te vervullen.
De Raad oordeelde dat de conclusies van de verzekeringsarts juist waren en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen in overeenstemming waren met de geldende regelgeving. De Raad vond dat appellant, gelet op zijn opleiding en langdurig verblijf in Nederland, de Nederlandse taal basaal beheerst. De eerdere toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering per 15 april 2013 was niet relevant voor de situatie op 2 maart 2012.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.