Uitspraak
28 februari 2014, 13/3587 (aangevallen uitspraak)
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek wegens psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en ging vervolgens in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar eveneens ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onderschat waren, met name de psychische problematiek en effecten van medicijngebruik. Ook betwistte hij de geschiktheid van de voorbeeldfuncties en het ontbreken van een onafhankelijk medisch deskundige. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende rekening hield met de klachten en medicatie, en dat de beperkingen inzichtelijk en overtuigend waren gemotiveerd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te herzien. De arbeidskundige rapporten toonden aan dat appellant met zijn beperkingen de voorbeeldfuncties kan vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.