ECLI:NL:CRVB:2015:2847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet aannemelijke schuld bij erfenis
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en kreeg een erfenis van ruim €17.000. Het college stelde vast dat de vermogensgrens werd overschreden en vorderde een deel van de bijstand terug. Appellante voerde aan dat zij een schuld aan haar ouders had die als schuld in mindering moest worden gebracht.
Zij stelde dat de schuld aannemelijk was gemaakt met een overzicht van betalingen en een verklaring van haar ouders, maar de Raad oordeelde dat deze stukken onvoldoende bewijs vormden van een afdwingbare lening. Het overzicht was niet ondertekend en er was geen leenovereenkomst. Ook de verklaring van de ouders was niet doorslaggevend omdat deze achteraf was opgesteld.
Appellante beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat haar casemanager haar had geïnformeerd dat schulden zouden worden meegenomen, maar de Raad vond dat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.