ECLI:NL:CRVB:2015:2887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting over verblijfplaats
Appellant diende op 19 februari 2013 een aanvraag voor bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Bij het invullen van het formulier gaf hij voor de periode van 23 januari tot en met 18 februari 2013 vijf verschillende verblijfsadressen op, waarvan vier niet klopten volgens de gemeentelijke basisregistratie personen. Telefonisch contact bracht geen duidelijkheid. Het college wees de aanvraag op 26 februari 2013 af wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde in bezwaar aan dat hij zich had vergist bij het opgeven van huisnummers, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant zijn informatieverplichting had geschonden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen opheldering gaf over zijn feitelijke verblijfplaats.
In hoger beroep stelde appellant dat vergissingen onvoldoende reden waren voor afwijzing en dat hij wel degelijk op één van de opgegeven adressen woonde. De Raad oordeelde dat controleerbare gegevens over de verblijfplaats essentieel zijn en dat appellant onduidelijkheid had gecreëerd door onjuiste opgave. Het niet verstrekken van juiste informatie vormde een schending van artikel 17, eerste lid, van de WWB, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting over de verblijfplaats.