ECLI:NL:CRVB:2015:2899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aannemelijk maken woonadres
Appellant diende op 23 september 2011 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij aangaf bij zijn moeder te wonen op een bepaald adres. Het college wees deze aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Deze afwijzing werd onherroepelijk verklaard.
Op 9 september 2012 diende appellant een nieuwe aanvraag in met hetzelfde opgegeven adres. Het college voerde onderzoek uit, waaronder huisbezoeken en gesprekken met de moeder en huismeester. Uit deze onderzoeken bleek dat appellant niet op het opgegeven adres woonde: hij had geen sleutel, er waren geen persoonlijke gebruiksvoorwerpen aanwezig, en verklaringen van betrokkenen waren tegenstrijdig.
Het college wees de aanvraag opnieuw af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde en dat hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde.