ECLI:NL:CRVB:2015:2912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering schuld ondanks onjuiste eerdere aflossingscapaciteit
Appellante heeft in het verleden te veel uitkering ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet en één maand te veel pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting en jaarlijks onderzoek gedaan naar haar aflossingscapaciteit, waarbij telkens werd geconcludeerd dat die niet aanwezig was.
Met een besluit van 12 januari 2012 heeft de Svb appellante geïnformeerd dat haar aflossingscapaciteit in voorgaande jaren onjuist was vastgesteld en dat zij maandelijks € 77,63 moest betalen, verrekend met haar AOW-pensioen, en daarnaast een bedrag van € 2.904,96 ineens moest voldoen uit haar vermogen. Appellante betwistte alleen het aanwenden van haar vermogen, omdat zij een bedrag gereserveerd had voor haar begrafeniskosten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond alleen het gebruik van het vermogen ter discussie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb bevoegd was het vermogen aan te wenden voor schuldaflossing, ook als appellante een bestemming aan dat vermogen gaf. Het feit dat de Svb eerder de aflossingscapaciteit onjuist had vastgesteld, weerhoudt haar niet van invordering. Appellante was op de hoogte van haar schuld en verplichting tot aflossing. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.