Appellant had een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk was vastgesteld tussen 55 en 65%. Na bezwaar en beroep werd dit bevestigd door het Uwv en de rechtbank, maar appellant stelde dat zijn klachten ernstiger waren en dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden van appellant correct heeft beoordeeld, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de functies die appellant wel kan vervullen, moet worden herzien. De functie van telefonist, receptionist werd geschrapt vanwege onvoldoende werkervaring van appellant, waardoor de resterende functies leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad vernietigde de besluiten van 17 juli 2012 en 26 juni 2015 voor zover zij de arbeidsongeschiktheid op 55-65% respectievelijk 65-80% stelden en herroept het besluit van 15 februari 2012. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 80 tot 100% met ingang van 2 april 2012. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding aan appellant.